We willen vaak te snel! Net als onze maatschappij. Maar om klankmotoriek goed te oefenen, heb je herhaling nodig.

Hoe moet je oefenen? Oefenen gaat in stappen.
1. de klank maken 2. in woorden 3. in zinnen/verhalen
4. dan spontane spraak.

AU/OU

Wat moet je doen? 

  • Twee klanken /a/ en /oe/ 
  • Mond groot maken voor een /a/
  • Mond rond maken voor een /oe/
  • Zie korte klanken /a/ en meerklinkers /oe/
  • AU en OU zeg je hetzelfde. 

Lukt de klank?
Oefen dan nu in woorden. Je kunt de woorden ook luisteren en nazeggen. 

Als je woorden kunt, kun je ook zinnen proberen.
Luisteren kan natuurlijk ook!

OE

Wat moet je doen? 

  • Lippen rond in het midden 
  • Kaak iets open en omhoog bewegen 
  • Tong trekt op naar achteren

Lukt de klank?
Oefen dan nu in woorden. Je kunt de woorden ook luisteren en nazeggen. 

Als je woorden kunt, kun je ook zinnen proberen.
Luisteren kan natuurlijk ook!

EU

Wat moet je doen? 

  • Lippen rond naar beneden 
  • Kaak iets verder open en stil houden
  • Tong ligt plat onderin tegen de ondertanden 

Lukt de klank?
Oefen dan nu in woorden. Je kunt de woorden ook luisteren en nazeggen. 

Als je woorden kunt, kun je ook zinnen proberen.
Luisteren kan natuurlijk ook!

UI

Wat moet je doen? 

  • Bestaande uit /u/ en /uu/.
  • Scheppende beweging met de kaak en onderlip.
  • Weinig spanning op de bovenlip.
  • De tong ligt plat onderin.

Lukt de klank?
Oefen dan nu in woorden. Je kunt de woorden ook luisteren en nazeggen. 

Als je woorden kunt, kun je ook zinnen proberen.
Luisteren kan natuurlijk ook!

IE

Wat moet je doen?

  • Lippen spreiden, bijna dicht 
  • Kaak bijna dicht
  • Tong aan de achterkant omhoog

Lukt de klank?
Oefen dan nu in woorden. Je kunt de woorden ook luisteren en nazeggen. 

Als je woorden kunt, kun je ook zinnen proberen.
Luisteren kan natuurlijk ook!

EI/IJ

Wat moet je doen? 

  • Twee klanken /e/ en /ie/
  • Lippen spreiden
  • Kaak iets open voor /e/
  • Kaak iets verder sluiten 
  • Tong achterin iets omhoog voor /ie/ 

Lukt de klank?
Oefen dan nu in woorden. Je kunt de woorden ook luisteren en nazeggen. 

Als je woorden kunt, kun je ook zinnen proberen.
Luisteren kan natuurlijk ook!